Column

Zinloos zinnen ontleden wordt voltooid verleden tijd

Aan de slag met kerndoel 6

Katinka de Croon en Jantien Dhont

werken als curriculumontwikkelaar Nederlands bij SLO. 

Het kan je niet ontgaan zijn: de kerndoelen voor Nederlands zijn vernieuwd. Opvallend genoeg gaat het weinig over het spiksplinternieuwe kerndoel 6: inzicht in taal als systeem. Een gemiste kans, volgens Katinka de Croon en Jantien Dhont. In dit artikel nemen zij je mee in de werkelijk wonderschone wereld van taal en taalgebruik. Aan de hand van betekenisvolle voorbeelden laten ze zien dat denken en praten over taal bijdraagt aan taalplezier, kennis over taal en aan het toepassen van die kennis bij het lezen, luisteren, schrijven, spreken en gesprekken voeren.

 

Spelen met en nadenken over aanwijzende voornaamwoorden

Waarom wordt mijn buurman boos als ik het heb over zijn autootje? Hoe zorgt de komma voor het verschil tussen leven en dood? Kan de keeper duiken of fluiten naar de bal? Wat is er met Freek Vonk gebeurd? En waarom kiezen de schrijvers van dit artikel voor een formulering als de werkelijk wonderschone wereld van het spiksplinternieuwe kerndoel 6? Dit soort taalvragen opent een luikje bij leerlingen en vormt een aanleiding om na te denken over taal en er samen over in gesprek te gaan.

 

Saai en betekenisloos

 

Veel leerkrachten zullen het herkennen: leerlingen vinden taal vaak saai. Dat is ook niet zo gek, want geregeld ontbreekt in de taallessen een betekenisvolle context en is er weinig ruimte voor leerlingen om actief mee te denken, zich te verwonderen over taal en ontdekkingen te doen over de regelmaat in ons systeem van taal. In het oude kerndoel 11 staat dat leerlingen een aantal taalkundige principes en regels moeten kennen. Dit heeft er helaas toe geleid dat leerlingen in geïsoleerde oefeningen, zonder noemenswaardige context, hebben geleerd om zinsdelen te onderscheiden en woorden te spellen. De meeste leerlingen zijn daarom tijdens de les in staat om een lijdend voorwerp in een zin te onderstrepen of om bepaalde woorden in een dictee correct te schrijven, maar de transfer van deze kennis naar hun eigen schrijfwerk ontbreekt vaak. Ze hebben meestal geen idee waar een lijdend voorwerp voor dient en maken spelfouten in hun teksten.

 

Inspiratie

 

Op deze websites vind je meer inspiratie en werkvormen:

Dat kan en moet anders. Dat is ook precies de bedoeling van kerndoel 6. In plaats van beginnen met het ontleden van zinnen, kun je bijvoorbeeld ook beginnen met het ‘aankleden’ van zinnen. Als je een foto van bioloog Freek Vonk in een ziekenhuisbed laat zien, roept dit meteen reacties op: “Hé, Freek Vonk!” En daar is het onderwerp. Wat doet Freek, waar is hij, wat is er gebeurd? Met elke nieuwe vraag voeg je een stukje informatie toe aan de steeds rijkere zin: Freek/ligt/in een ziekenhuisbed/omdat…. Door zinnen bewust ‘aan te kleden’, vertrekkend vanuit het onderwerp, gaan leerlingen vanzelf werkwoorden en (plaats-) bepalingen gebruiken. In sommige zinnen is Freek bovendien niet het onderwerp maar het lijdend voorwerp, bijvoorbeeld als hij weer eens is gebeten door een Caribische rifhaai… De bijbehorende taalkundige begrippen vormen dus niet het doel van de activiteit, maar komen functioneel ter sprake, in een betekenisvolle context.

 

Inzicht in taal als systeem

 

Rijk, betekenisvol, actief en samenhangend taalonderwijs: dat is de bedoeling van de nieuwe kerndoelen Nederlands, verdeeld over de domeinen Communicatie, Taal en Literatuur. Kerndoel 6, onderdeel van het domein Taal, gaat over taalbeschouwing in brede zin: taalgebruik, grammatica en spelling. De bedoeling van dit kerndoel is dat leerlingen inzicht krijgen in taal als systeem. Daarvoor hebben ze niet alleen kennis over de vorm van taal nodig, maar vooral ook kennis over de relatie tussen vorm en betekenis en over de context waarin taal gebruikt wordt (Meesterschapsteam Nederlands, 2018). De domeinen Communicatie en Literatuur bieden die context: kennis over taal pas je immers toe bij het lezen, spreken, schrijven, luisteren en gesprekken voeren. Daarnaast bieden de twee domeinen ook volop gelegenheid voor het betekenisvol uitbreiden en verdiepen van deze kennis. Dit betekenisvol leren kan ook helpen om de motivatie van de leerlingen te verhogen. Als je weet waarvoor je het doet, ben je vaak meer gemotiveerd om tijd en moeite te steken in een activiteit. Zo baal je er bijvoorbeeld van dat je tijdens de wedstrijd een strafschop hebt gemist, dus wil je die strafschoppen oefenen tijdens de training. Als je voor het eerst mag meedoen in een orkest, dan ben je bereid om vaker te repeteren. Zo werkt het ook met het leren over taal en taalgebruik.

 

De betekenisvolle contexten die de domeinen communicatie en literatuur bieden, geven leerlingen gelegenheid om inzichten toe te passen, maar ook om ontdekkingen te doen over taal en over het gebruik ervan. Als je in groep 3-4 bijvoorbeeld een sprookje voorleest, kun je behalve bij de inhoud ook stilstaan bij de structuur. In sprookjes zit immers een duidelijke opbouw met een kenmerkende begin- en eindzin. Vervolgens laat je de leerlingen zelf een sprookje tekenen en/ of schrijven: ‘Er was eens een sprookjesfiguur, die iets beleefde en vervolgens lang en gelukkig leefde.’ Doordat je inzicht in de opbouw van een tekst koppelt aan lezen, schrijven en literatuur, werk je op een betekenisvolle manier aan kerndoel 6.

 

Denken en praten over de relatie tussen vorm en betekenis

 

De klas puzzelt samen op een raadgedicht

Rijke teksten bieden een betekenisvolle context. Schrijvers en dichters maken bovendien bewust gebruik van hun kennis over taal om een bedoeling of gevoel over te brengen. Sterker nog, vaak spelen ze met regels en conventies. Zo schreef Koos Meinderts De strafschopspecialist, online te vinden op de website Raadgedicht. Laat leerlingen na het lezen nadenken over het ontbrekende woord. Daarbij gaat het niet alleen om het woord dat het best past qua inhoud en betekenis, maar ook om de woordsoort waarnaar je op zoek bent: “Duiken, schieten, schoppen… hé, dat zijn allemaal werkwoorden!” Als blijkt dat het gaat om het werkwoord ‘fluiten’, sta je stil bij letterlijk en figuurlijk taalgebruik: de keeper kon fluiten naar de bal!

 

Achtervoegsels zoals ‘-tje’ en ‘-je’ worden interessanter voor leerlingen in de middenbouw als je ingaat op betekenisverschillen. Waarom is je buurman, die net een dure Porsche heeft aangeschaft, beledigd als je het hebt over zijn autootje? Geef je de voorkeur aan een cadeau of een cadeautje? En is er verschil tussen een zus en een zusje? Al denkend en pratend ontdekken de leerlingen dat deze achtervoegsels betekenis toevoegen aan een woord en niet slechts een in te oefenen trucje zijn (Van den Brand, 2009). Door leerlingen vervolgens te laten spelen met het gebruik van verkleinwoorden in teksten en samen na te gaan wat daarvan het effect is, leren ze op een bewuste manier gebruikmaken van de opgedane kennis.

 

In de bovenbouw kun je kinderen laten nadenken over de betekenis van het lijdend voorwerp door hen koppen te laten bedenken voor de stukjes die ze schrijven voor de website van de school. Hoe zorgen ze voor een korte, maar ook passende kop? Ter voorbereiding laat je hun krantenkoppen zien waarin informatie ontbreekt: Nederland koopt massaal en Politie ontdekt. Maar wat koopt Nederland dan? En wie of wat heeft de politie ontdekt? Je komt er samen met de leerlingen achter dat dit stukje informatie niet zomaar kan worden weggelaten en dat je toevallig steeds dezelfde vraag kunt stellen: wie of wat + onderwerp + gezegde? Als leerlingen koppen gaan bedenken voor hun eigen stukken tekst, kunnen ze de opgedane inzichten bewust toepassen.

 

Leerlijn Taal

 

De bedoeling van kerndoel 6 is dat je op een systematische manier toewerkt naar inzicht in vorm en betekenis van taal en taalgebruik. Daarom ontwikkelt SLO momenteel leerlijnen bij de kerndoelen. De leerlijn Taal helpt scholen om het eigen onderwijs in taalbeschouwing (inclusief grammatica en de relatie met spelling) onder de loep te nemen en zo nodig aan te passen. De leerlijn laat zien hoe je al vanaf de onderbouw werkt aan de inzichten van leerlingen. De basis voor het ontwikkelen van taalbewustzijn leg je namelijk al vroeg. Als je bijvoorbeeld het prentenboek De bijzondere beer van Tjibbe Veldkamp en Marijke ten Cate leest met de leerlingen, dan kun je ze laten ontdekken dat er woorden zijn die iets zeggen over andere woorden. Wat zijn de leerlingen te weten gekomen over de beer? “Hij is bruin, hij heeft geen armen, niemand wil de beer.” Maar waarom is de titel van het boek De bijzondere beer en niet De bruine beer of De eenzame beer? Wat maakt de beer zo bijzonder? Het antwoord volgt op de laatste pagina: het is een lieve, dappere, bijzondere én doodgewone beer!

 

Relatie met spelling

 

In de leerlijn Taal wordt een expliciete relatie gelegd tussen het opdoen van grammaticale inzichten en taalverzorging. Correct leren spellen en formuleren is nog steeds belangrijk: taalverzorging draagt tenslotte bij aan het bereiken van je doel. Het onder de knie krijgen van technische vaardigheden (spellen en technisch lezen) vraagt om instructie en oefening. Dat verandert niet in het nieuwe curriculum. Door leerlingen daarnaast te stimuleren hun grammaticale inzichten in te zetten bij het achterhalen van de juiste spelling, vergroot je bovendien hun spellingbewustzijn. Als je je bewust bent van de opbouw en betekenis van een samengesteld woord zoals ‘tandpasta’, dan zul je een fonologische fout zoals ‘tampasta’ niet zo snel maken. Je begrijpt immers dat het gaat om pasta voor je tanden. Kerndoel 6A en 6B zijn dus nauw met elkaar verbonden.

 

Het belang van een correcte werkwoordspelling kun je bijvoorbeeld duidelijk maken met een foto van een verkeersbord met een onderbord: ‘Geld voor de hele straat’. “Wauw, waar kunnen we dat geld ophalen?” Door na te denken over de taalfout en erop te reflecteren, wordt de eerder aangeboden spellingregel nog eens expliciet gemaakt. En hoe mooi is het als leerlingen samen nadenken over de verschillen in betekenis tussen ‘Wacht, niet schieten!’ en ‘Wacht niet, schieten’. Of iets minder levensbedreigend: ‘Wij staan achter, Oranje!’ en ‘Wij staan achter Oranje!’ Deze losse voorbeelden laten zien hoe je betekenisvol aandacht kunt besteden aan taalverzorging. Maar het is natuurlijk ook belangrijk dat je aandacht hebt voor taalverzorging tijdens het lezen en schrijven van teksten. Op die manier stimuleer je het spellinggeweten.

 

Wetenschappelijk onderzoek

 

Zowel in het primair als in het voortgezet onderwijs gaat er veel aandacht naar spelling en grammatica. Vaak gebeurt dat op een traditionele manier, waarbij begrippen en regels centraal staan. Maar taalbewustzijn ontwikkel je niet door het aanleren van ezelsbruggetjes en het maken van invul- of ontleedoefeningen (Coppen, 2011). Recent onderzoek in het voortgezet onderwijs laat zien dat juist het redeneren over taal en taalgebruik leidt tot inzichten en correct taalgebruik bij leerlingen (Leenders, 2021). Leonie Goutier, taaldocent op de pabo in Venlo en promovenda aan de Universiteit Utrecht, doet momenteel onderzoek naar het effect van redeneren over taal in groep 7 en 8 van het basisonderwijs. Haar eerste deelonderzoek laat zien dat het denken en praten over vorm en betekenis van taal zorgt voor een grote betrokkenheid bij leerlingen en dat er al na één les mooie voorbeelden zijn van beginnend inzicht in zinsstructuur. Ook blijkt dat leraren open staan voor deze aanpak (Goutier, Van Rijt & De Graaff, 2026).

 

Kortom...

 

Kerndoel 6 vraagt om een andere benadering van onderwijs in taalbeschouwing dan veel scholen gewend zijn: geen eenzijdige focus meer op de vorm van taal, een actievere houding van leerlingen en contexten waarin kennis over taal betekenisvol wordt. Belangrijk om te weten: je hoeft het niet alleen te doen. SLO ontwikkelt leerlijnen en uitgevers werken hard aan nieuwe leermiddelen. Zo bouwen we samen aan betekenisvol en duurzaam taalonderwijs, waarin het zinloos zinnen ontleden hopelijk snel voltooid verleden tijd wordt!

Taalbewuste leerlingen vragen om taalbewuste leraren

 

Op onze pabo leren wij de studenten niet alleen hoe ze het taalbewustzijn van de leerlingen op hun stagescholen kunnen ontwikkelen, we zetten ook in op het vergroten van kennis, inzichten en plezier van de studenten zelf. We hanteren daarbij de volgende uitgangspunten:

 

  1. Verwondering creëren
  2. Rijke teksten gebruiken
  3. Taaldomeinen integreren
  4. Interactief beschouwen
  5. Inductief kennis opbouwen
  6. Betekenisvol verwerken van opgedane kennis/theorie

 

Zo creëren wij bijvoorbeeld verwondering door het lezen van het gedicht Ken je dat? Uit de bundel Het is een zachte dag vandaag (Rian Visser & Janneke Ipenburg, 2024). In dit gedicht speelt de dichter met het gebruik van de aanwijzend voornaamwoorden dit en dat.

 

Vervolgens krijgen studenten een mail met fouten: “Hier is de linkje naar die profiel waar we het in de pauze over hadden.” Samen sporen ze de fouten op om ze vervolgens beredeneerd te verbeteren. Met behulp van de toelichting controleren ze of hun redenering klopt.

Ten slotte krijgen studenten een toepassingsopdracht: Haal je spullen uit je tas en ga met elkaar in gesprek over de inhoud. Schrijf daarna een korte tekst waarbij je bewust verschillende voornaamwoorden gebruikt: “Dit is mijn portemonnee, die ik altijd bij me heb. In mijn lievelingskleur, dat je het weet!” Studenten zijn positief, net als leerlingen en leraren op de stageschool. Ze merken dat ze zo meer kennis krijgen en noemen taalbeschouwing soms zelfs leuk!

 

Evelien Borgonjon en Aletta Kwant zijn docenten op de pabo van de Hanzehogeschool in Groningen.

 

Bronnen

  • Coppen, P. (2011). Emancipatie van het grammaticaonderwijs. Tijdschrift Taal, 2(3), 30-33.
  • Goutier, L., Van Rijt, J., & De Graaff, R. (2026). Exploring design principles on metaconceptual grammar teaching in primary education. Language and Education.
  • Leenders, G. (2021). Bewuste taalvaardigheid in het grammaticaonderwijs. Handboek Didactiek Nederlands.
  • Meesterschapsteam Nederlands (2018). Visie op de toekomst van het curriculum Nederlands.
  • SLO. (2025). Definitieve conceptkerndoelen Nederlands herziene versie 2025 inclusief  toelichtingsdocument.
  • Van den Brand, A. (2007). Onderwijs in taalbeschouwing. Handvatten voor taalontwikkelend onderwijs. JSW, 91, 20-24.
Deel dit artikel
Vangorcumtijdschriften.nl maakt gebruik van cookies.

Welkom! Leuk dat je een bezoekje brengt op vangorcumtijdschriften.nl. Wij, en derde partijen, maken op onze websites gebruik van cookies. Wij gebruiken cookies voor het bijhouden van statistieken, om jouw voorkeuren op te slaan, maar ook voor marketingdoeleinden (bijvoorbeeld het sturen van een bericht als je winkelwagen nog vol is). Door op 'Zelf instellen' te klikken, kun je meer lezen over onze cookies en je voorkeuren aanpassen.

Zelf instellen
Alle cookies accepteren
Uw cookie instellingen
Deze website maakt gebruik van functionele en analytische cookies, die nodig zijn om deze site zo goed mogelijk te laten functioneren. Hieronder kan je aangeven welke andere soorten cookies je wilt accepteren.
Functionele cookies

Functionele cookies ondersteunen de basisfuncties van een website zoals paginanavigatie en toegang tot beveiligde delen van de website mogelijk maken. Zonder deze cookies kan de website niet naar behoren functioneren.

Analytische cookies

Analytische cookies helpen ons om te begrijpen hoe bezoekers omgaan met onze website door anoniem informatie te verzamelen en te rapporteren. Deze informatie wordt gebruikt om de website te verbeteren.

Marketing en tracking cookies

Marketing cookies worden gebruikt voor het functioneren van ons opvolgsysteem met betrekking tot account activiteiten(als het niet kunnen afronden van bestelling). Ook wordt er informatie verzameld om dit zoveel mogelijk aan te sluiten bij je interesses.

Cookies instellingen opslaan